JEUGD
Was 't de begonia in een pot op tafel?
Het rollen van de donder en het kruisen
Van bliksemstralen door het donkre zwerk?
Was 't de muziek in 't park, gehoord aan 't water
Waar zwanen dreven en hij zag daargingds
Gasbollen onder bomen om de tent?
De jonge dromer gaf zich over aan
De trilling van die beelden, zocht ze zelfs,
Omdat ze in hem een eigen toon verwekten,
Een vlaag van woorden en in maat en rijm
Een wiegeling en weergalm: een gedicht.Het was een kinderlijk vacantie-spel,
Vulling van vrije dagen. Maar 't gespeel
Werd wonderlijke noodzaak. Toen de school
Weer aanging was hij niet langer een knaap
Die lessen leerde. Liedren en romancen
Verzon hij, boeken die hem boeiden waren
Coleridge (zijn hymne in Chamonix!), van Byron
The Prisoner of Chillon, Shelley's jeugdwerk,
Drama's van Vondel, - Bijbelse verhalen,
Dante's Commedia, de Ilias, de Odyssee -
Hoe dankbaar was hij Voss en Streckfuss - vulden
Een jaar en langer hem met beeld en taal.
Zijn oor werd dronken van gezang, zijn geest
Bedwelmd door onverwachte ontroering: somtijds
Duizelde hem en stortte hij bezwijmd
Tussen de banken van de klas of 's avonds
Op donkre markt. Zijn vriend bracht hem op 't schoolplein
Onder de pomp of hij ontwaakte en zag
De sterren boven hem en liep naar huis.Albert Verwey