MIJNHEER DEROY

Ik ben een jaar of zeventien, ik zit
boordevol poëzie, van hoofd tot voeten,
en ik wil schrijven, schrijven, en ik bid
dat ik zal mogen, bid dat ik zal moeten.

De school is kil, ik sla een kleine tent
op rond mezelf en ik word steeds eenzamer.
Maar boven is er iemand die me kent
en af en toe is er zijn warme kamer.

Daar leven La Fontaine en Racine,
Villon en d'Orléans, de verzen klinken
tot ze als wijn worden, die ik mag drinken,
een meer waarop Le Cygne is te zien.
Daar woont een vriend, daar is de wereld mooi
en machtig, - dank u wel, meneer Deroy.

Michel van der Plas
(Uit: De oevers bekennen kleur, Verzamelde gedichten, Baarn/Tielt, 1994)