Biecht

Ruzies met mijn collega's hebben niets om 't lijf.
Ik mag hen graag; vooral de krommen en de scheven.
-ik sta ook trouwens zelf van de gebreken stijf-
Alleen, die éne Streber kan ik niet vergeven.

Mijn rector gunt me veel; en zèlfs wel dat ik 'schrijf'.
De school gaf ik de beste jaren van mijn leven.
Sòms zeg ik dat ik ga, toch weet ik dat ik blijf.
Alleen, die éne Streber kan ik niet vergeven.

Hij is correct; hij heeft mìj waarlijk niets misdreven.
Maar gruwelijk strooit distels tussen 't kiemend zaad
hij, die maar één beginsel heeft: zijn eigen voordeel.

't Is om dit minne onkruid, dat ik hem haat.
Ik werd de laatste tijd toch zachter in mijn oordeel...
Vergeef het mij, ik kan...ik kàn hem niet vergeven!

Ida Gerhardt
Sonnetten van een leraar (1951)